De ontmaskering van het absolute

Waarom Grunberg na zestien jaar nog steeds de menselijke soort wil schaden

FlaubertWie zichzelf opnieuw uitvindt, moet zijn oude ik tot de bodem toe afbreken,’ stelt Jeroen Vullings in een artikel over Grunbergs alter ego, Marek van der Jagt. Er bestaat onder academici en critici consensus over een verandering in het schrijverschap van Grunberg vanaf De Asielzoeker, oftewel na deze heruitvinding. Ook de schrijver zelf alludeert in interviews op het bestaan van een ‘vroege’ en ‘late’ Grunberg. Nu is Grunberg een auteur die zijn literatuuropvatting niet bepaald onder stoelen of banken steekt: in essays, interviews en zijn blog bijvoorbeeld bespiegelt Grunberg regelmatig expliciet over de aard en functie van literatuur. De vraag dringt zich op of Grunbergs poëticale uitspraken ook blijk geven van een verandering.

In zijn essay: ‘Waarom ik de menselijke soort wil schaden. De opdracht van de schrijver’, oorspronkelijk verschenen in NRC Handelsblad in 1996, presenteert de jonge auteur onomwonden zijn opvattingen over de taak van de schrijver. Bij de beschrijving van die taak doet Grunberg een beroep op Flaubert, die zijn bewondering uitsprak over Rabelais en Byron, twee auteurs die volgens hem schreven om de menselijke soort te schaden. In dit schaden van de menselijke soort schuilt de opdracht de schrijver, volgens Grunberg. Om de soort te schaden moet de schrijver zorgen dat de lezer zich herkent in de personages. De schade bestaat uit een besef van ambiguïteit. Literatuur, aldus Grunberg, ontdoet de mens van de illusies van het absolute en zadelt hem op met iets waarachtigers: het dubbelzinnige, de twijfel.

In januari 2012 raakt Grunberg verwikkeld in een polemiek met filosoof Eric Schliesser over onder meer de taak van de hedendaagse auteur. Aanleiding voor deze op hun blogs gevoerde poëticale discussie is een bijzin die Schliesser in een blogbijdrage wijdt aan het verschil in ethische verantwoordelijkheid tussen filosofie en literatuur, dat er volgens Schliesser in schuilt dat in literatuur: ‘the art may be diminished if […] Satan is not given airtime.

Grunberg riposteert dat een dergelijk onderscheid literatuur reduceert tot een frivole, consequentieloze onderneming: ‘We allow Satan to speak freely in the novel, because we assume that nobody will pay serious attention.’ Volgens Schliesser is de overtuiging dat literatuur een frivole kunstvorm is, typerend voor de (bemiddelde, beroemde) auteur in liberale, democratische landen. Hij typeert deze vleugellamme auteur als gedomesticeerd. Grunberg duidt de marginalisatie van auteurs niet als een vorm van tamheid, maar als ‘realism’ en bovendien is hij er niet zeker van of marginalizatie per definitie een vloek is voor een schrijver.

Er lijkt een zekere bescheidenheid in Grunbergs retorisch idioom te zijn geslopen. Toch is dit niet helemaal het geval. Grunberg maakt een onderscheid tussen twee typen auteurs: auteurs die de wereld willen veranderen – die dienen zich volgens hem te wenden tot religie of de politiek: ‘start a religion or a political party’, tot pamflettisme – en auteurs die de verandering van de wereld willen beschrijven.

Na dit retorisch-poëticale over en weer haalt Grunberg wederom Flaubert aan en blijkt er na zestien jaar weinig veranderd voor wat betreft Grunbergs poëticale stokpaardjes: ‘Flaubert wrote in one of his letters that the task of the author is to harm mankind. Oh, how I love this statement.’ Grunberg onderkent dat dit de schrijver in een intrinsiek ironische positie dringt: fysieke schade blijft immers uit. Literatuur schaadt de mens mentaal door hem te confronteren met zijn middelmatigheid – en ontmaskert het superieure ethische voorbeeld. Hiermee sluit Grunberg vrijwel naadloos aan bij zijn vroege literatuuropvatting: ironie is de manier om om te gaan met de pijnlijke ambiguïteit van de schrijver die wil schaden, maar niet werkelijk schaden kan. De rol van de auteur formuleert hij als volgt: ‘[T]o describe the philosopher’s action while he is busy remaking the World,’ of zoals hij het parafraserend in een latere post over dit onderwerp zegt: ‘And my position seems to be that the different shades of darkness need to be described (and examined) better.’ Het vergt niet veel verbeelding om die beschrijving van schakeringen van de duisternis op te vatten als een voortvloeisel uit Grunbergs van meet af aan – oh, ironie – haast absoluut relativistische wereldbeeld. Daarmee is de teneur van Grunbergs betoog wellicht minder stekelig, maar zijn literatuuropvatting blijkt wonderlijk consistent. 

– Bart Geurden

Recent Related Posts

Reacties zijn gesloten.