Grunberg en het menselijk lichaam

Een allesbehalve heroïsch hedonisme

Maak kennis met protagonist Arnon uit Blauwe maandagen (1994). Arnon drukt zijn puisten uit aan de eettafel, plast in de plantenbak en spaart gebruikte condooms. Lichamelijke beslommeringen van een prototype puberjongen, schreven de recensenten vertederd. Juist, maar wel één met een drank- en hoerenverslaving. De lichamelijke smerigheid in Grunbergs debuut mag dan wel grappig zijn, onschuldig is zij beslist niet.

Toen Blauwe maandagen verscheen, werd het door Frans de Rover in Ons Erfdeel als de zoveelste schelmenroman gecategoriseerd. De belevenissen van hoofdpersoon Arnon waren ‘jongensachtig’ en daarbij hoort ‘ranzig geknoei’. In hetzelfde tijdschrift noemde Rob Schouten Grunbergs debuutroman ‘opgewekt’ en ‘ietwat anarchistisch’. Schouten bespreekt Grunberg als toonbeeld van ‘Generatie Nix’: een groep jonge auteurs, waaronder Zwagerman en Giphart, die schrijven over (vrolijk) aanklotende adolescenten.

Arnon uit Blauwe maandagen is er zo één, volgens Schouten. Maar in tegenstelling tot romans van bijvoorbeeld Giphart, is er in Blauwe maandagen geen sprake van een soort heroïsch hedonisme. Arnon is geen macho, in tegendeel. Hij is gefixeerd op zijn lichaam en dat van anderen in een verhaalwereld doortrokken van referenties aan dood en vernietiging: zijn joodse ouders zijn getraumatiseerde oorlogsslachtoffers en Arnons vader overlijdt aan een terminale ziekte. Alsof dat nog niet genoeg is, ruilt zijn eerste liefde hem in voor iemand met een hoger libido.

Arnon beseft hierdoor al gauw dat het menselijk lichaam alleen maar op zichzelf gericht is: het zoekt bevrediging van zijn behoeften en als het ziek wordt, gaat het dood. Daar komt geen redelijkheid aan te pas. Je kunt daarom maar beter op hetzelfde terrein terugvechten en je lichaam verdoven met alcohol of seks. Dat laatste het liefst met prostituees, want met liefde heeft seks volgens Arnon niets te maken. Het gaat om ‘warmte geven, op de enige manier waarop dat mogelijk is, met ons lichaam’. Bovendien is het bij de hoeren glashelder dat je voor de gek gehouden wordt: anders dan in het echte leven, waar mensen volgens hem constant tegen elkaar liegen, maar dan in het geniep.

Arnon komt zelfs tot de inktzwarte conclusie dat de wereld ‘een verzameling van hoerenlopers en hoeren’ is. Hij ziet mensen ‘dag in dag uit bedelen om een kruimeltje liefde’ dat ze elkaar toewerpen ‘als een stuk brood aan een schurftige hond.’ Liefde is dus niet gratis, maar een transactie gericht op zelfverrijking. De ander is  daarbij een schurftige hond waar je zo snel mogelijk vanaf wil. Wie nog kan grinniken om Arnons puberpijnen, mag al het bovenstaande vergeten. 

– Anna-Sandrijn van Brouwershaven

Recent Related Posts

Reacties zijn gesloten.