Grunberg en slechte recensies

De kritiek bekritiseerd

Onlangs schreef Joost de Vries in de Groene Amsterdammer een kritische recensie over Rik Launspachs roman Man meisje dood. Launspach voelde zich aangevallen en schreef een reactie die grotendeels op emoties gebaseerd leek. Resultaat: niet de recensent wordt in verlegenheid gebracht, maar de schrijver zelf staat voor gek.

Wat is dat toch, de onbedwingbare behoefte van auteurs om een negatieve boekbespreking zelf te becommentariëren, niet zelden doorspekt met laatdunkende en spottende opmerkingen over de recensent? Ook Arnon Grunberg is in dit opzicht berucht. Lijkt hij polemische stukken die op de man spelen allemaal als spel te zien (zoals zijn vete met A.F.Th. van der Heijden in 2007), directe aanvallen op zijn werk neemt hij een stuk persoonlijker op.

De romans van Arnon Grunberg worden alom bejubeld. Elke nieuwe roman is schokkender, mooier, pijnlijker en beter dan zijn vorige. Menig schrijver zou jaloers zijn op het lage aantal slechte recensies dat Grunberg ontvangt. In het zeldzame geval dat er een negatieve bespreking verschijnt, is hij er echter als de kippen bij om kritiek te leveren op de kritiek.

In 1997 schrijft Hans Goedkoop in NRC Handelsblad een kritisch stuk over Grunbergs zojuist verschenen roman Figuranten. Grunberg, die zelf ook regelmatig schrijft voor het NRC, laat het hier niet bij zitten. Hij schrijft in zijn column in de VPRO-gids dat hij niet langer voor dezelfde krant wil werken als Goedkoop, omdat diens stuk ‘een belediging voor mijn intelligentie en de intelligentie van mijn lezers’ is: de redactie moet kiezen tussen Grunberg en Goedkoop. Tegelijkertijd schrijft hij dat Goedkoop een man is die ‘noch kan nadenken, noch kan schrijven’. Het is opvallend dat Grunberg zich zó druk maakt om één recensie van een man die hij blijkbaar toch totaal niet serieus neemt.

Enkele jaren later, in 2001, schrijft de Vlaamse criticus Jeroen de Preter in De Morgen een uiterst negatieve recensie van Grunbergs nieuwe roman De mensheid zij geprezen. Grunberg is hier niet van gediend. Zijn onvrede uit hij door een brief te schrijven in zijn wekelijkse rubriek in de Humo, ‘De mailbox van Arnon Grunberg’. Ongewoon is dit niet, omdat er elke week een brief van zijn hand verschijnt die de geadresseerde met de grond gelijk maakt, maar Grunberg wekt hierin de indruk zich serieus aangevallen te voelen.

Jeroen de Preter beoordeelt De mensheid zij geprezen op inhoud, maar met een spottende ondertoon. Grunberg weerlegt de argumenten van Jeroen de Preter wel inhoudelijk, maar hij kan de verleiding niet weerstaan om een kleinerende toon aan te slaan. Zo schrijft hij: ‘Jammer alleen dat u de betekenis van sommige Nederlandse woorden niet kent. Hebt u geen geld voor een woordenboek?’ Ook spreekt hij van ‘mijn geliefde de Preter’ en begint Grunberg spottend over De Preters ouders.

Bij de uitreiking van de AKO-literatuurprijs in 2007 was het A.F.Th. van der Heijden die overkwam als degene die het allemaal te serieus nam, toen Grunberg hem feliciteerde met de winst. In de reacties op Goedkoop en De Preter delft Grunberg echter het onderspit. De kleinerende reacties komen over als een zwaktebod, juist van Grunberg, de schrijver die gespecialiseerd lijkt te zijn in het belachelijk maken van mensen. Wat hij hier in feite doet, is zichzelf voor gek zetten.

– Mirjam Renting

Recent Related Posts

Reacties zijn gesloten.